Op 29 juli 2016 dienden de advocaten van Preston Henn in Florida een klacht in tegen Ferrari North America. Henn, eigenaar van de Swap Shop in Fort Lauderdale en bekend als teameigenaar in de IMSA, had een LaFerrari, een 488 en een 458 Speciale. Hij wilde ook de open LaFerrari, de Aperta. Hij stuurde een cheque van $1 miljoen naar onder anderen Sergio Marchionne. De cheque kwam terug met de opmerking dat zulke bedragen niet over de post horen, en Henn kreeg te horen dat hij "not qualified" was.
Hij eiste meer dan $75.000 wegens smaad. Dat bedrag is de ondergrens voor zo'n zaak bij de Amerikaanse federale rechter, dus het zegt weinig over de schade. Eind november 2016 stopte hij ermee, omdat het te duur werd.
Henn bood het geld aan en Ferrari stuurde het terug. Geld was dus niet de hele prijs.
Twee prijzen
Een auto in beperkte oplage heeft twee prijzen. De eerste staat op de prijslijst. De tweede is de aankoopgeschiedenis die je het recht geeft om de eerste te betalen, en die staat nergens.
Wat dat recht waard is, valt af te lezen aan het verschil tussen lijstprijs en straatprijs. De LaFerrari kostte in Groot-Brittannië £1,2 miljoen. In augustus 2014 meldde financier Oracle Finance dat kopers daar £1 miljoen bovenop betaalden. Wie een toewijzing had, kreeg op papier bijna een tweede auto cadeau.

Een LaFerrari in het Ferrari museum. Er zijn er 499 gebouwd.
Ferrari had dat bedrag zelf kunnen vragen. Een aanwijzing waarom het dat niet deed, staat in een bericht van evo uit november 2011. Ferrari wilde toekomstige speciale series aanbieden aan eigenaren van vijf of meer Ferrari's, volgens het bedrijf zo'n 300 mensen, zodat de auto's niet bij speculanten belandden. Evo merkte erbij op dat vijf goedkope Mondials voor £40.000 je er waarschijnlijk niet in zouden brengen.
Die bijzin zegt het meest. Als alleen het aantal auto's telde, was de toegang voor £40.000 te koop. Er telt dus iets anders: wat je in de loop der jaren bij de fabriek en de dealer hebt uitgegeven. Het gat van £1 miljoen is dan geen gemiste omzet. Het is de beloning voor omzet die al binnen is.
Hoe dit eruitziet als een toezichthouder meekijkt
In de financiële wereld is dit mechanisme een keer doorgemeten. Aandelen van een populaire beursgang stijgen vaak op de eerste handelsdag, dus een toewijzing is geld waard, net als een LaFerrari. Tussen april 1999 en juni 2000 wees Credit Suisse First Boston zulke aandelen toe aan meer dan honderd klanten. Die stuurden volgens de Amerikaanse toezichthouder SEC 33 tot 65 procent van hun winst terug, via provisies tot $3,15 per aandeel op andere transacties, waar $0,06 gangbaar was. De bank schikte voor $100 miljoen en erkende geen schuld.
Bij auto's vraagt niemand de boekhouding op, dus zo'n percentage bestaat niet. De vorm is wel na te rekenen. Stel, een koper heeft vijf nieuwe Ferrari's nodig om in aanmerking te komen, en elk kost hem €70.000 aan afschrijving. Dat is €350.000, tegenover een gat van pakweg €1 miljoen op de auto die hij daarmee hoopt te krijgen: 35 procent. De bedragen zijn verzonnen.
Daar is een bezwaar tegen. Wie die vijf auto's toch wilde hebben, heeft niets extra's betaald. Dat klopt, en voor die koper is de tweede prijs nul en de toewijzing een cadeau. Alleen ziet de fabriek van buitenaf niet wie dat is. Daarom kijkt Ferrari naar het verleden en vraagt het de dealer.
Waar een doorverkoopclausule voor is
Ford deed iets vergelijkbaars met een aanvraagformulier. Tussen 13 april en 12 mei 2016 kreeg het 6.506 aanvragen voor de eerste 500 exemplaren van de nieuwe GT. Naar eigen zeggen gaf het voorrang aan eerdere GT-eigenaren en aan mensen die het merk zichtbaarheid konden geven. Elke koper tekende dat hij de auto 24 maanden niet zou doorverkopen.

De Ford GT op de autosalon van Toronto in 2016, het jaar van de aanvraagronde.
John Cena verkocht de zijne binnen enkele weken aan een handelaar in Californië. Ford klaagde hem aan en eiste de winst, het recht om de auto terug te kopen en meer dan diezelfde $75.000. Cena voerde aan dat de clausule niet in de definitieve papieren van de dealer stond. In juni 2018 schikten ze voor een onbekend bedrag, dat Ford aan een goed doel zou geven.
Ford wilde dat geld dus niet houden. Wie beschermt die clausule dan? De volgende koper niet: in mei 2018 bracht een GT met zeven mijl op de teller bij Mecum $1,8 miljoen op, tegen zo'n $450.000 nieuw, en die bieder wist wat hij kocht. Fords omzet ook niet, want die was al binnen. De eerste koper evenmin, want die wordt erdoor beperkt. Wat overblijft is de toewijzing zelf. Als die direct na aflevering in $1,35 miljoen contant is om te zetten, schrijven er bij de volgende ronde vooral mensen in die dat geld willen. De fabriek kan dan niet meer belonen wie ze wil belonen.
Ferrari heeft daar minder rechters voor nodig. Ford had één GT-programma en moest het dus met een contract doen. Ferrari heeft altijd een volgende auto, en de sanctie is dat je die niet krijgt.
Een tegoed bij één bedrijf
De tweede prijs lijkt op een tegoed, met slechtere voorwaarden dan een spaarrekening. Je betaalt vooraf en krijgt geen bewijs van wat je hebt opgebouwd. Het saldo geldt bij één bedrijf, en dat bedrijf bepaalt hoe hoog het is. Overdragen kan niet. Wie zijn 488 verkoopt, verkoopt een auto. Op een veiling biedt niemand op de plek in de rij die de vorige eigenaar ermee hoopte te verdienen. Ook de koper van een tweedehands LaFerrari betaalt het volle gat en heeft daarmee bij de fabriek nog niets opgebouwd.
De consequentie voor een koper is eenvoudig op te schrijven. Wie een nieuwe auto koopt om in aanmerking te komen voor de volgende, kan die aankoop het best doorrekenen alsof de volgende nooit komt. Klopt de som dan niet, dan is het verschil geld op een rekening waarvan de fabriek het saldo bijhoudt, en die kan het met twee woorden op nul zetten. Henn had een LaFerrari in de garage staan toen hij die twee woorden kreeg.
Beeld: Ferrari LaFerrari Aperta (24) door El monty (CC BY-SA 4.0); Ferrari LaFerrari at the Ferrari museum door Matyáš Solařík (CC BY-SA 4.0); Ford GT (24577793623) door Joe deSousa (CC0). Afbeeldingen zijn verkleind.
