In 2018 kreeg de 1100 Club in Engeland een telefoontje. Het originele BMC-gereedschap voor de voorspatborden van de 1100 en 1300 was te koop, en de club mocht als eerste beslissen. Het gereedschap was via Earlpart bij Longbridge Motor Spares terechtgekomen. De club kocht het en de leden betaalden de productie. In 2020 waren er nieuwe spatborden: £295 per stuk voor niet-leden, minder voor leden.
Geen zaterdagse meet had dat kunnen doen. Een parkeerplaats heeft geen bankrekening.
De parkeerplaats wordt vaak gezien als de opvolger van de merkclub. De cars and coffee begon in Zuid-Californië, bij Crystal Cove en daarna op het terrein van Ford en Mazda in Irvine. Geen lidmaatschap, geen contributie, geen bestuur, elke auto welkom. De organisatie in Irvine vroeg bezoekers dat hele jaar hun toeren laag te houden, en buiten stond politie om burn-outs tegen te gaan. Een club kan een lid eruit zetten. Op een parkeerplaats kun je alleen vragen. In december 2014 was het daar afgelopen, en de geruchten gingen over geluidsklachten van een nieuwbouwproject naast de deur. Het evenement was al eerder verhuisd. Het kost niets om zoiets te beginnen en weinig om het kwijt te raken, en daarom is het overal te vinden. Wat het niet kan, is iets bewaren.

Een kale carrosserie van een 1300, type ADO16, op een beurs in Birmingham in 2018.
Wat een club eigenlijk verkoopt
In 1965 beschreef de econoom Mancur Olson waarom grote groepen zelden bereiken wat ze allemaal willen. Iedereen profiteert, dus iedereen wacht op een ander. Organisaties die het toch redden, doen dat met selectieve prikkels: iets wat alleen leden krijgen. Bij een natuurorganisatie is dat gratis toegang tot een reservaat. Bij een autoclub zijn het het blad, de technische vraagbaak, de ritten en de korting op onderdelen.
Die dingen halen de contributie binnen. Met die contributie doet de club vervolgens wat anders niemand doet. De Standard Motor Club betaalt haar onderdelenregeling volledig uit contributies, met vrijwilligers en oude voorraad die in de loop der jaren is opgekocht. De 1100 Club verkoopt haar spatborden ook aan niet-leden. Die profiteren dus van iets wat leden hebben betaald, tegen een hogere prijs.
Neem de rekensom. Stel, een serie van 50 spatborden kost £10.000 om te maken. De club noemt geen bedrag, dus dit is een aanname. Bij 500 leden is dat £20 per lid, minder dan de £25 die een Britse club volgens de federatie FBHVC in 2020 gemiddeld aan contributie vroeg. Op een parkeerplaats moet iemand eerst vijftig mensen vinden die over een paar jaar een spatbord nodig hebben en nu al willen betalen.
Forums organiseren wel eens zo'n groepsaankoop. Dat lost het betalen op. Het lost niet op wie het gereedschap over twintig jaar bewaart, en wie dan weet waar het ligt. Het gereedschap van de 1100 ging door drie paar handen voordat de club het kocht.
Hetzelfde geldt voor kennis die niemand toevallig zoekt. De TR Register en de Triumph 2000 Register dragen hun functie in de naam: een lijst van wat er is gebouwd en waar het is gebleven. Een forum beantwoordt de vraag die iemand vandaag stelt. Een register moet ook worden bijgehouden voor auto's waar jaren niemand naar vraagt, en dat werk levert niets op tot de dag dat een koper een chassisnummer wil controleren.

Een Saab GT850 op de International Saab Meeting van 2016, een bijeenkomst rond één merk.
Wat de parkeerplaats wel heeft overgenomen
Dat de meet de club heeft verdrongen, is te simpel. In het Britse onderzoek van 2020 was 87 procent van de eigenaren van een historisch voertuig lid van een club, tegen 90 procent in 2016. Dat is nauwelijks een daling. Bij liefhebbers zonder eigen klassieker ging het van 56 naar 50 procent. Eigenaren blijven dus, en de terugloop zit bij mensen die er nog geen hebben.
Een kanttekening. Dit zijn antwoorden op een enquête waarvoor clubs hun eigen leden opriepen, dus de werkelijke percentages liggen waarschijnlijk lager. Grote merken hebben dit probleem ook minder. De Porsche Club of America telde volgens Porsche in 2025 ruim 145.000 leden. Het risico zit bij kleine clubs van merken die niet meer bestaan. Daar zijn onderdelen het moeilijkst te krijgen.
Dat zijn de mensen die vroeger bij de club binnenkwamen om iemand te spreken die er verstand van had. Nu kunnen ze op zaterdag gratis naar een meet en hun vragen op een forum stellen. Twee van de selectieve prikkels zijn daarmee weg: het samenkomen en een groot deel van de kennis. Dit is onze redenering, want niemand telt meets. Wij vonden ook geen onderzoek dat de overstap meet.
De meet heeft de liefhebberij er niet slechter op gemaakt. Volgens de FBHVC groeit de belangstelling in 2025 het sterkst onder volwassenen tot 35 jaar. Alleen komt die belangstelling niet vanzelf bij een club terecht. Clubleden waren in 2020 gemiddeld 64, liefhebbers zonder club 59. Van de clubs verwachtte 43 procent dat de gemiddelde leeftijd in vijf jaar zou stijgen en 32 procent dat het ledental zou dalen. De gemiddelde eigenaar was in 2025 66.
In Nederland vertegenwoordigt de federatie FEHAC volgens het Louwman Museum 233 verenigingen en stichtingen met samen ruim 56.000 eigenaren. Vergelijkbare leeftijdscijfers hebben wij voor die clubs niet gevonden. Voor wie een oldtimer verkoopt, gaat dit ook over geld. Een koper van een BMC 1100 wil weten waar het volgende spatbord vandaan komt, en het antwoord is een club met leden.
Op een parkeerplaats is iedereen welkom en hoeft niemand iets. Daar is niets mis mee. Wie van de mensen die daar op zaterdag rondlopen, maakt over tien jaar £25 per jaar over voor het gereedschap van een auto die hij nog niet heeft?
Beeld: Cars and Coffee Irvine (6109482670) door Dennis Rex (CC BY 2.0); 1300 (ADO16) Shell door andreboeni (CC BY 2.0); Intsaab2016 13 - Saab GT850 door Herranderssvensson (CC BY-SA 3.0). Afbeeldingen zijn verkleind.
