In januari 1990 kocht de Zwitserse verzamelaar Bert Steiger een Ferrari 330 GTO, chassis 4561, voor $17 miljoen en verkocht hem door aan Mitsubishi Bank. Op 26 mei 1987 was dezelfde auto bij Christie's in Monte Carlo nog voor ongeveer $1,57 miljoen weggegaan. De bank trok zich terug. Steiger bleef met de auto zitten, en nadat de markt was ingestort ging hij naar een andere Zwitser voor 5 miljoen frank, ongeveer $3,2 miljoen.
Zo vertelt Michael Sheehan het, een Amerikaanse Ferrari handelaar die in die jaren zelf volop handelde, in een column in Sports Car Market van oktober 2007. In dezelfde column schat hij de auto op dat moment op ongeveer $12 miljoen. Zeventien jaar later was ook een eigenaar die niet hoefde te verkopen dus nog niet terug op de prijs van 1990.
Bij een crash lopen twee dingen door elkaar. Prijsrisico is de kans dat een auto minder waard wordt. Verkoopdwang is de kans dat je moet verkopen terwijl dat zo is. Het eerste blijft een getal zolang je de auto houdt. Het tweede maakt van dat getal een verlies. Een eigenaar die zelf mag kiezen wanneer hij verkoopt, heeft alleen het eerste probleem.
Hoe de prijs omhoogkwam
Sheehan beschrijft de weg omhoog met data, omdat zijn eigen bedrijf eraan meedeed. Op 17 augustus 1987 kocht European Auto Sales een Ferrari 250 Testa Rossa uit 1957, chassis 0732, voor $1,5 miljoen. Een maand later ging de auto, nog ongerestaureerd, voor $95.000 meer naar een Japanse speculant. Op 13 oktober 1988, inmiddels gerestaureerd, kocht het bedrijf hem terug voor $2,5 miljoen en verkocht hem dezelfde dag voor $3,5 miljoen aan een Amerikaanse speculant. Op 16 juni 1989 bemiddelde het bij de verkoop aan een Italiaan voor $4,5 miljoen.

Een Ferrari 250 Testa Rossa uit 1957, chassis 0710, in het Simeone museum in Philadelphia. Chassis 0732 komt uit dezelfde serie.
Vijf transacties in 22 maanden, en de prijs verdrievoudigde. Ferrari prijzen verdubbelden volgens Sheehan elk jaar van 1986 tot 1989. Een groot deel van het geld kwam uit Japan, waar banken meer dan 100 procent van de getaxeerde waarde van onroerend goed uitleenden. Wie zich daardoor rijk voelde, kocht in het buitenland vastgoed en auto's. De Nikkei piekte op 29 december 1989 op 38.915,87 punten.
Wat de val per auto deed
Sheehans ijkpunt is een nette Daytona: eind 1989 $500.000, in 1994 $125.000. Vanaf 1995 begon volgens hem een langzame klim.
Neem twee 275 GTB/4's die zijn bedrijf in 1989 aan Japanse kopers verkocht, voor $965.000 en $1 miljoen. Halverwege de jaren negentig kwamen ze allebei terug naar de Verenigde Staten, voor ongeveer $250.000 per stuk. Waarom ze Japan verlieten, schrijft hij niet. Wel is duidelijk wat verkopen toen kostte: driekwart van de aankoopprijs. Wie had kunnen blijven zitten, bezat in 2007 volgens Sheehan een auto van ongeveer $850.000. Dat is achttien jaar later en nog steeds minder dan hij ervoor had betaald.

Een Ferrari 275 GTB/4 uit 1967 op de Hampton Court Concours van 2025.
De Ferrari F40 kwam op het hoogtepunt van die markt. Sports Car Market noemt een Amerikaanse lijstprijs van rond de $250.000, terwijl Europese auto's voor een miljoen dollar van eigenaar wisselden. Binnen enkele maanden na de eerste leveringen begon de instorting. Speculanten lieten hun aanbetaling schieten toen de marktprijs onder hun contractprijs zakte, en de laatste nieuwe F40's waren voor de lijstprijs te krijgen. Op 18 augustus 2001 bracht een F40 uit 1991 bij RM in Monterey $344.300 op, commissie inbegrepen. In 2016 ging in Monterey een F40 uit 1990 voor $1.265.000. Wie rond 1989 dat miljoen betaalde en 27 jaar wachtte, was net terug, met minder dan 1 procent per jaar. Stalling, verzekering en onderhoud zijn daar nog niet van af.

Een Ferrari F40 op Salon Privé in 2023.
Wie er koopt als iemand moet verkopen
In deze verhalen komt de dwang nergens van de auto zelf. Bij Steiger kwam hij van een tegenpartij die afhaakte. Bij de F40 van een contract dat opeens te duur was. Bij de Japanse kopers kan het onderpand hebben meegespeeld, want het onroerend goed achter hun leningen werd in dezelfde jaren veel minder waard.
Andrei Shleifer en Robert Vishny schreven in 1992 over wat er dan gebeurt, met bedrijven als onderwerp. Een fire sale is een gedwongen verkoop onder de normale prijs, en de prijs zakt extra omdat de partijen die het meest zouden willen betalen op dat moment zelf moeilijk aan geld komen. Dat past op een 330 GTO. Weinig mensen kunnen miljoenen bieden, en een deel van hen was net door dezelfde crash geraakt. De $3,2 miljoen zegt daarom minder over de auto dan over wie er op dat moment kon betalen. Daarna gebruikt wel iedereen die prijs als vergelijking, ook de eigenaar die niets hoeft te verkopen.
Wat wachten kost
Het voor de hand liggende advies is blijven zitten. Daar zijn twee bezwaren tegen.
Niet elke auto herstelde even snel. Een 250 GTO ging volgens Auto Motor Klassiek in 1989 voor $14,6 miljoen naar een Japanse koper, bracht in 1991 in Las Vegas $5,5 miljoen op en in 2008 $28,5 miljoen. De eerste auto's die terugkwamen, schreef de Ferrari kenner Wayne Ausbrooks, waren topmodellen, vooral raceauto's en bijzondere carrosserieën. Chassis 4561 heeft geen racehistorie, en dat is voor Sheehan de reden dat hij in 2007 onder de $17 miljoen bleef.
Wachten kost ook geld. Sheehan rekende voor dat die $17 miljoen, met 7 procent kapitaalkosten per jaar, ongeveer $47 miljoen had moeten worden om bij te blijven. Zijn schatting voor de auto was $12 miljoen. De eigenaar die kon wachten, ontliep de fire sale en betaalde daarvoor in jaren. Dat is een kleiner verlies dan dat van Steiger. Het is er nog steeds een.
Hoe lang een volgende daling duurt en welke auto's dan het eerst terugkomen, weet niemand. Achttien jaar was niet genoeg voor een 275 GTB/4 en 27 jaar net genoeg voor een F40. De enige post die een eigenaar vooraf kan invullen, is wat hem zou dwingen om in zo'n jaar te verkopen: een lening op de auto, een bedrijf dat ineens geld nodig heeft, een scheiding. Of dat lijstje in het slechte jaar nog klopt, valt vooraf niet te zien.
Beeld: FERRARI 330 GTO (5888147355) door ZANTAFIO56 from FRANCE (CC BY-SA 2.0); 1957 Ferrari 250 Testa Rossa (Simeone) 03 door Al R (CC BY-SA 2.0); 1967 Ferrari 275 GTB4 HCC25 door MrWalkr (CC BY-SA 4.0); 1989 Ferrari F40 door MrWalkr (CC BY-SA 4.0). Afbeeldingen zijn verkleind.
