Een strijkkwartet van Mozart vraagt vandaag nog steeds vier musici en evenveel minuten als in 1791. In ruim twee eeuwen is daar niets aan versneld. De musici verdienen wel veel meer dan toen. Wie slecht betaald wordt, gaat iets anders doen.
William Baumol en William Bowen maakten daar in 1966 een economisch argument van, in hun boek Performing Arts: The Economic Dilemma. In een autofabriek stijgt de productiviteit, dus kunnen de lonen omhoog zonder dat de auto duurder wordt. Een orkest moet vergelijkbare lonen betalen om zijn mensen te houden, maar speelt er geen noot sneller door. De kosten per concert lopen dus harder op dan de prijzen eromheen. Dat heet sindsdien Baumols kostenziekte, in het Engels cost disease.
Restaureren is het zuiverste voorbeeld dat de autowereld heeft. Een plaatwerker die een dorpel klopt, doet hetzelfde werk als zijn voorganger in 1970. Hij moet wel het loon krijgen van iemand die ook aan de lopende band had kunnen gaan staan.
Wat een uur kost en wat het oplevert
Alex Finigan van het Amerikaanse Paul Russell and Company vertelde Hagerty in 2023 hoe dat er bij hem uitzag. Toen hij in 1975 begon, kreeg hij $5 per uur en rekende de zaak $19. Nu rekent de zaak $135. Een volledige restauratie kost er 4.000 tot 5.000 uur en de wachttijd is drie jaar. Het gaat om de herinnering van één bedrijf aan de top van het vak, niet om een branchecijfer.
De som is wel na te rekenen. De gemiddelde Amerikaanse werknemer verdiende in 1975 ongeveer $4,75 per uur en in oktober 2023 $29,26, ruim zes keer zoveel. Finigan begon dus op het gemiddelde loon. Vermenigvuldig $19 met diezelfde factor en je komt op $117. De consumentenprijzen stegen in die tijd 5,7 keer, wat $109 zou geven. De $135 ligt daar iets boven, maar het tarief heeft vooral de lonen gevolgd. Bijzonder is wat er voor dat uur terugkomt.
De Harbour Report, de productiviteitsmeting van de Amerikaanse auto-industrie, kwam in 2008 voor Toyota en Chrysler uit op 30,37 uur per nieuwe auto: stansen, motoren en assemblage samen. In de 4.000 uur van Finigan bouw je dus ruim 130 nieuwe auto's. Zijn niveau is uitzonderlijk, maar ook de 700 tot 1.000 uur die de Amerikaanse restaurateur Werner Meier noemt voor een volledige restauratie staan gelijk aan meer dan twintig.
In Nederland zie je dezelfde beweging in het garagetarief. Een onafhankelijke garage rekende volgens Welingelichte Kringen in augustus 2026 €85 per uur zonder btw, tegen €68,50 vijf jaar eerder. Dat is 24 procent meer, met onder andere de nieuwe cao en het tekort aan monteurs als reden.
Een E-Type die zijn rekening niet haalt
Neem een auto waarbij restaureren zou moeten lonen: een Jaguar E-Type Series 1 3.8 roadster uit 1961, een vroege flat floor, crème op zwart. Classic Motor Cars in Bridgnorth restaureerde hem tussen 2018 en 2020, goed voor 17 facturen en £182.719,76. RM Sotheby's bood hem in 2024 aan in Monaco met een schatting van £135.000 tot £165.000. Hij bleef onverkocht.

Een E-Type Series 1 3.8 flat floor roadster uit 1961, in Parijs in 2015. Niet de auto uit Monaco, wel hetzelfde type.
De schatting lag dus onder de facturen, en in die facturen zit de aankoop van de auto niet eens. Eén veilinglot bewijst weinig. De oorspronkelijke motor was ooit vervangen, het nieuwe blok kreeg het fabrieksnummer ingeslagen en de auto stond onder een tijdelijke invoerregeling in de EU. Dat kan bieders hebben afgeschrikt. Maar dit is het duurste soort E-Type dat er is. Een 4.2 2+2 uit 1966, een schuurvondst na 25 jaar stalling, ging in 2017 bij RM Sotheby's in Auburn weg voor $20.000, en zijn carrosserie is niet minder werk.
Verkoopadvertenties van E-Types noemen tussen de 1.300 en 3.500 uur, opgave van de verkoper dus. Reken die uren tegen het Nederlandse garagetarief met btw, €102,85 voor een particulier, en 1.600 uur is €164.560. Bij 3.200 uur staat er €329.120, nog zonder onderdelen en lak. Een specialist rekent misschien anders dan een gewone garage, maar de orde van grootte klopt: Jaguar zelf vroeg in 2017 vanaf £285.000 voor de E-Type Reborn, een door de fabriek gerestaureerde auto.
Waar de grens ligt
Wat een restauratie kan terugverdienen, is het verschil tussen de waarde in slechte en in perfecte staat. Hagerty rekende dat in november 2020 uit voor de ruim 2.000 modellen in zijn Britse prijsgids, van Condition 4 tot Condition 1. Deel dat bedrag door het uurtarief en je ziet hoeveel uren een model kan betalen. Hier met €1,15 per pond en €102,85 per uur:
- Austin Allegro 1750: £2.150, 24 uur
- Land Rover Discovery Series 1: £13.400, 150 uur
- Porsche 924 Carrera GT: £27.800, 311 uur
- Porsche 356 A coupé: £172.500, 1.929 uur
Neem 1.000 uur als ondergrens voor een professionele restauratie. Dan moet het verschil ruim €100.000 zijn, nog zonder onderdelen. Van dit lijstje haalt alleen de 356 dat. Het zijn prijzen uit 2020 en een echt wrak zit nog onder Condition 4, dus de som is grof. Bij het tarief van vijf jaar eerder lag dezelfde grens rond €83.000. Aan de auto is in die tijd niets gebeurd. Er is bijna €20.000 bijgekomen doordat een monteur meer is gaan verdienen.

Een Austin Allegro 1750 SS uit 1973 in vrijwel nieuwstaat. In de som van Hagerty kan de Allegro 1750 een paar dagen werk betalen.
Er is iets op af te dingen. Helemaal nul is de productiviteitsgroei niet: wie een nieuw plaatdeel kan kopen, hoeft het niet meer te kloppen. Orkesten bestaan ook nog steeds, omdat de rest van de economie rijker werd en ze kan betalen. Voor de 356 geldt hetzelfde. Voor de Allegro niet.
De lonen volgen ook niet altijd. E-Type UK adverteerde een restauratietechnicus voor £30.000 tot £40.000 bij gemiddeld 47,5 uur per week (een ongedateerde vacature, gelezen in november 2026). Dat is £12 tot £16 per uur, terwijl de Britse mediaan voor voltijders in april 2025 op £19,67 lag. Het vak betaalt dus onder het gemiddelde, en dan gebeurt wat je bij Baumol zou verwachten: er komen te weinig mensen bij. Al in 2011 was volgens de Britse federatie van klassiekerclubs de helft van de 28.000 werknemers in de sector 45 of ouder. Een laag loon remt de kosten, maar de rekening komt dan binnen als wachttijd, zoals die drie jaar bij Finigan.
Wat onder de grens gebeurt
Onder de grens blijft één soort uren over: die van de eigenaar zelf. Die staan buiten Baumols som, want niemand hoeft ze te betalen. Professioneel gerestaureerde exemplaren van goedkope klassiekers worden dus schaars, op de oude na, waarin uren zitten tegen het loon van toen.
Want dat koopt iemand met een gerestaureerde auto: uren tegen het tarief van het jaar waarin ze gewerkt zijn. In Monaco schatte het veilinghuis die uren lager dan ze gekost hadden. Voor een koper is het dan goedkoper om te nemen wat een ander al heeft betaald dan zelf aan de facturen te beginnen. Elke koper die die som maakt, laat ergens een wrak staan. Zo zakt een heel type onder de grens, zonder dat iemand dat ooit besluit.
Beeld: Car Restoration Workshop (Unsplash) door Igor Ovsyannykov igorovsyannykov (CC0); Paris - Bonhams 2015 - Jaguar E-Type Series 1 Flat Floor 3.8 Litre Roadster - 1961 - 002 door Thesupermat (CC BY-SA 4.0); 1973 Austin Allegro 1750 SS door John Shepherd from Tooting, London, Great Britain (CC BY 2.0). Afbeeldingen zijn verkleind.
