Op 7 april 1990 sloot de verzamelaar Edward Hubbard een contract met Middlebridge Scimitar over een Bentley die in de overeenkomst Old Number One heette: de Speed Six waarmee Woolf Barnato in 1929 en 1930 Le Mans won. In de deal stond de auto voor £10 miljoen. Niet veel later besloot Middlebridge dat die auto niet bestond. Wat Hubbard had, was volgens het bedrijf een andere Bentley. Die was £250.000 waard.
Het verschil van £9,75 miljoen zat niet in het metaal, want dat veranderde er niet door. Het zat in de vraag of dit dezelfde auto was.
Die vraag is oud. Plutarchus schrijft dat de Atheners het schip van Theseus bewaarden en rotte planken vervingen door nieuw hout. Filosofen twistten daarna over de vraag of het nog hetzelfde schip was. Thomas Hobbes maakte het in 1655 lastiger: stel dat iemand de oude planken bewaart en er een tweede schip van bouwt. Welk van de twee is dan het origineel? In 1990 moest een Engelse rechter zo'n vraag beantwoorden, met een bedrag erop.
Wat er van de auto over was
Bentley-historicus Michael Hay getuigde drie dagen voor Hubbard, en zijn verhaal maakte het niet makkelijker. Voor Le Mans 1930 waren het chassis, de vooras, de versnellingsbak en het differentieel al vervangen. Misschien ook de stuurkolom en het motorcarter. Tussen oktober 1931 en Pasen 1932 bouwde Walter Hassan de auto opnieuw op voor Barnato, die hem te langzaam vond. Er kwam een 8-litermotor in en een gemengd chassis, met bak, dwarsbalken, stuurkolom, radiateur, schutbord en spatborden van het chassis uit 1930. Zo verongelukte Clive Dunfee ermee op Brooklands, in de 500 Miles van 1932.

De Byfleet-kombocht van Brooklands in juni 2025, inmiddels overwoekerd. Dunfee verongelukte op ditzelfde circuit.
Daarna kwamen nog een coupé-opbouw, later een tweezitter en een periode in Amerika. Hubbard kocht de auto van de handelaar Stanley Mann en bracht hem terug in de vorm van 1932. Van wat in 1929 won, was weinig over. Middlebridge had een punt.
Wat de rechter besliste
Rechter Otton vond dat Middlebridge de verkeerde vraag stelde. "Degrees of originality have no meaning in the context of this car," schreef hij. De vernieuwingen van 1930 kwamen volgens hem voort uit de eisen van snelheid en winnen en hoorden bij de ontwikkeling van de auto. In 1930, 1931 en 1932 was hij uit onderdelen herbouwd. Toch was hij één doorlopend geheel gebleven, zonder breuk in zijn racegeschiedenis. Geen enkele andere Bentley kon de naam opeisen.
Zijn bewijs bestond uit papier en gewoonte: de servicekaarten van Bentley Motors tot aan de oorlog, het logboek, kenteken MT 3464, chassisnummer LB 2332 op de voorste dwarsbalk, een vakblad dat de auto na de crash van 1932 gewoon Old Number One noemde. Barnato's dochter vertelde dat haar vader hem behandelde als een hond en hem in het voorbijgaan een klopje gaf.
De redenering is sterker dan ze klinkt. Een raceauto heeft geen vaste set onderdelen die hij kan verliezen. Bakken, assen, desnoods een chassis: vervangen was wat het team deed, omdat het wilde winnen. Wie eist dat de onderdelen van 1929 erin zitten, moet ook zeggen dat Barnato in 1930 met een andere auto won dan in 1929. Dat staat in geen enkele uitslag.

De startopstelling van de 24 uur van Le Mans in 1929, de eerste van de twee overwinningen van deze Speed Six.
Identiteit zit dan in het leven van de auto, in wat ermee gebeurde en wie dat bijhield. Daarmee is ook duidelijk wat een restaurateur mist. Hij vervangt plaatwerk bij een auto die niets meer hoeft te winnen. Otton keurde de terugbouw naar de vorm van 1932 wel goed, maar in zijn redenering leent die haar recht van de reeks die eraan voorafging. Nieuwe panelen op een auto zonder zo'n reeks hebben dat niet. Hobbes' tweede schip was er hier ook niet: niemand had een rivaal opgebouwd uit de oude planken.
Niet iedereen was overtuigd. Bill Boddy schreef in Motor Sport van september 1990 dat hij niet begreep hoe twee auto's, één uit 1929 en één uit 1932, tot één geheel konden versmelten. Hij zou deze kopen als Brooklands-replica, niet als Le Mans-auto. Hassan, die hem had gebouwd, sprak in zijn eigen boek over een nieuwe auto voor Barnato. En over het boek dat Hay later schreef, zei recensent Andrew Frankel dat het deels las als campagnemateriaal.
Wat een rechter niet kan regelen
Twintig jaar later kwam de vraag terug, nu over een omschrijving in een koopcontract. Stanley Mann verkocht in 2007 voor £425.000 een 1930 Bentley Speed Six, chassis SB 2770. De originele motor was er sinds 1936 uit, de huidige kwam uit een gewone 6½ Litre van 1927 en de opbouw was een replica. De High Court gaf de koper in 2010 gelijk. Het Court of Appeal draaide dat in maart 2012 terug: voor die omschrijving is het chassis met zijn nummer genoeg, ook als alleen het voorste deel origineel zou zijn. Je verkoopt ook een Volvo uit 1990 zonder te beloven dat de motor uit 1990 is. Het recht moet volgens de rechters niet ingaan tegen hoe de markt zo'n woord begrijpt. Een paar punten gingen terug naar de eerste rechter.
Beide uitspraken gaan over een contract tussen twee partijen. Geen van beide zegt wat de volgende koper betaalt. De filosoof Graeme Forbes geeft lezingen over de zaak. Hij schrijft dat Middlebridge failliet ging en dat de auto door de publiciteit niet meer voor iets in de buurt van £10 miljoen te verkopen was. Hij leest in Ottons tekst ook dat de rechter bij andere feiten anders had kunnen beslissen.
Wie een zwaar herbouwde raceauto koopt, draagt dat risico nog steeds. Otton redeneerde vanuit een racegeschiedenis zonder gat, vastgelegd in kaarten die bewaard waren gebleven. Hoeveel papier de volgende rechter vraagt, is voor zover wij konden nagaan niet getest. Een auto met twee verloren decennia evenmin. Twijfel in de pers was in 1990 al genoeg om de prijs te raken, en die twijfel is nu met één zoekopdracht te vinden.
Beeld: 1929 Bentley Speed Six Old Number One HCC23 door MrWalkr (CC BY-SA 4.0); Byfleet Banking, Brooklands Circuit, Weybridge, Surrey - June 2025 - 01 door Mertbiol (CC0); Grid at the 1929 24 Hours of Le Mans door Agence de presse Meurisse (publiek domein). Afbeeldingen zijn verkleind.
