"Buy the best that your budget allows." Zo schreef het Britse blad Practical Classics het op 16 februari 2021, uitgerekend in een artikel voor mensen die hun eerste project zoeken. Koop de beste die je kunt betalen: het staat in bijna elke koopgids en het wordt zelden nagerekend. Dat kan wel, want het is een uitspraak over prijzen.
Het advies beweert dat een auto in goede staat minder kost dan een slechte auto plus het werk om hem goed te krijgen. Daar zijn vier prijzen en een paar facturen voor nodig.
Kopen of opnieuw maken
De econoom James Tobin maakte rond 1970 een verhouding bekend die q heet: de marktwaarde van een bezit gedeeld door wat het kost om dat bezit opnieuw te maken. Ligt q onder de 1, dan is kopen goedkoper dan bouwen. Dan zet niemand een nieuwe fabriek neer als er een bestaande te koop staat. Het advies uit de koopgidsen zegt hetzelfde over klassiekers.
Neem de Austin-Healey 3000 MkIII, de BJ8. Het blad Classic Cars gaf in april 2022, op basis van de marktanalyse van Russ Smith, vier prijzen die oplopen met de staat van de auto. Bij de 100/6 in dezelfde lijst heten die treden project, bruikbaar, mint en concours.
- Project: £20.000
- Bruikbaar: £30.000
- Mint: £48.500
- Concours: £69.500
Die prijzen zijn van 2022 en in ponden. Het gaat hier om de afstanden tussen de treden.

Een Austin-Healey 3000 als restauratieproject, op een aanhanger bij een evenement.
Daartegenover staan de rekeningen. Op 29 juni 2026 verkocht Osenat in Fontainebleau een BJ8 uit 1964 die in 2019 voor meer dan €100.000 was gerestaureerd. Hij bracht ongeveer €62.000 op. Die auto was ook aangepast, met onder meer drie Webers, stuurbekrachtiging en een zijuitlaat, dus niet het hele verschil is verloren restauratiegeld. Zuiverder is het voorbeeld van een BJ8 uit 1967 bij RM Sotheby's. Fourintune, een Healey specialist, restaureerde hem eind jaren 2000 voor ongeveer $90.000 in de oorspronkelijke kleur. Hij ging weg voor $92.000. De koper betaalde de restauratie en kreeg de auto er voor $2.000 bij.
Reken het door voor een project. Stel dat een restauratie als die uit 2019 ongeveer £85.000 kost, een aanname op basis van die €100.000. Project plus restauratie is dan £105.000, voor een auto die de lijst op £48.500 zet. q is 0,46.
De tweede trede is net zo duidelijk. Hagerty schreef in april 2022 dat werkplaatsen gemiddeld meer dan $70 per uur rekenen en dat een restauratie vaak honderden uren vraagt. Driehonderd uur is $21.000, zonder één onderdeel. In diezelfde maand kostte de stap van bruikbaar naar mint £18.500, en dan is het werk al gedaan.
Onderaan klopt het advies dus ruim.
Het klopt niet bij elke auto. Een uur plaatwerk kost aan een dure auto ongeveer hetzelfde als aan een goedkope, maar de afstand tussen de treden groeit met de prijs. Hagerty UK rekende dat in 2020 door met zijn eigen prijsgids. Bij een Porsche 356 pre-A cabriolet lag £391.000 tussen fair en concours, en daar kan een project lonen. Bij de Healey is de hele ladder £49.500 hoog. Het advies geldt vooral voor auto's waarvan de ladder korter is dan één restauratie.
Wat de bovenste trede koopt
Volgens dezelfde som is ook de laatste stap een koopje. £21.000 van mint naar concours is waarschijnlijk minder dan wat een werkplaats rekent om een goede auto zo ver te krijgen. Hier houdt de som op iets te zeggen, want q vraagt alleen wat de goedkoopste weg naar een bepaalde staat is. Of je die staat wilt hebben, is een andere vraag.
De lagere treden kopen dingen die een rijder gebruikt. Een bodem zonder gaten. Een motor die oliedruk houdt. Portieren die dichtgaan zonder duw, een overdrive die inschakelt. Hagerty omschrijft zijn tweede klasse als een auto die een lokale of regionale show kan winnen, en dat is al ruim meer dan een rijder nodig heeft. De eerste klasse zijn volgens Hagerty de beste auto's ter wereld, die je eigenlijk alleen op concours ziet.
Die laatste £21.000 betaalt voor de juiste slangklemmen, de juiste koppen op de bouten en een lak zonder één steenslag. Dat raak je kwijt door te rijden. Eén zomer op de openbare weg en het is een mint auto waarvoor je de concours prijs hebt betaald.

Een Austin-Healey 3000 MkIII uit 1967 op een autoshow in Parramatta, Australië.
Wie niet rijdt en de auto als bezit aanhoudt, kan die laatste trede rationeel vinden: bij verkoop roept de auto de minste vragen op. Dan is het een beleggingsidee, met de risico's die daarbij horen. De smaak kan veranderen en de markt kan zakken. De klasse komt niet terug als er één keer iets misgaat.
Wie de korting betaalt
Onder dit alles zit nog een vraag. Waarom staat een gerestaureerde BJ8 eigenlijk onder zijn restauratiekosten te koop? Bij fabrieken duurt zoiets niet lang. Als een fabriek minder waard is dan het kost om hem te bouwen, stopt iedereen met bouwen, daalt het aanbod en loopt de prijs op tot q weer bij de 1 is. Bij klassiekers blijft q onder de 1 staan.
Dat komt doordat een deel van de bouwers geen rendement zoekt. Wie jaren aan zijn Healey werkt of een specialist betaalt, rekent dat niet altijd als investering. Hagerty schrijft het in zijn eigen restauratieadvies: je krijgt het waarschijnlijk niet terug, dus doe het voor het plezier. Daarna verkoopt hij, of verkopen zijn erfgenamen. De volgende eigenaar krijgt de uren voor niets.
Het advies werkt alleen zolang genoeg mensen het negeren. Als iedereen de beste koopt die hij kan betalen, begint niemand meer aan een project. Dan komt er ook geen BJ8 meer op de markt die onder de kostprijs van zijn restauratie te koop staat. Wie vandaag de beste koopt, koopt het verlies van iemand die het anders deed.
Beeld: Austin Healey 3000 Mk III Rear door V-Hantarex (CC BY 4.0); Austin Healey 3000 restoration project (15335119352) (2) door Thomas's Pics (CC BY 2.0); 1967 Austin Healey 3000 MkIII BJ8 (25075159980) door Jeremy from Sydney, Australia (CC BY 2.0). Afbeeldingen zijn verkleind.
