560 kilo CO2. Zoveel stoot een Jaguar E-Type 3.8 uit als hij 1.500 kilometer per jaar rijdt. 1.000 kilo. Zoveel kost de bouw van een nieuwe Volvo XC40 op benzine per jaar, nog voordat hij een meter heeft gereden. Zet die twee naast elkaar en je hebt een goed verhaal voor de clubavond. Het klopt ook. Alleen vergelijkt het iets wat niemand vergelijkt.
Waar de getallen vandaan komen
Eerst de E-Type. Het blad Motor testte in 1961 een 3.8 roadster en noteerde 21,3 mijl per Britse gallon, oftewel 13,3 liter op 100 kilometer. Een liter benzine geeft volgens de Nederlandse lijst van CO2-emissiefactoren 2,82 kilo CO2, inclusief winning en raffinage. Dat is 375 gram per kilometer, voor een goed afgestelde testauto. De 1.500 kilometer is afgerond: FIVA, de internationale koepel van oldtimerclubs, kwam in een enquête onder bijna 55.000 liefhebbers op 1.413 kilometer per jaar. Dat is een belangenorganisatie die haar eigen achterban ondervraagt, dus neem het als orde van grootte.
Dan de Volvo. Ook die cijfers komen van een partij met een belang, want Volvo verkoopt dezelfde auto elektrisch. Volgens de levenscyclusanalyse van het merk kost een XC40 op benzine over 200.000 kilometer 59 ton CO2-equivalent: 16 ton voor de productie en 43 ton voor het gebruik, dus 215 gram per kilometer. De elektrische XC40 komt op ongeveer 27 ton voor de productie en 44 ton in totaal op de Europese stroommix, dus 85 gram per kilometer. Een Nederlandse auto rijdt volgens het CBS gemiddeld zo'n 12.300 kilometer per jaar, dus 200.000 kilometer is ruim zestien jaar. Zo kom je op 1.000 kilo productie per jaar voor de benzineversie en bijna 1.700 voor de elektrische. De E-Type heeft die post niet meer. Hij is in de jaren zestig gebouwd, en dat gebeurt niet nog een keer.

Een XC40 T3 op benzine. Voor de benzineversie van dit model publiceerde Volvo zijn rekensom.
Twee manieren om af te schrijven
Die 1.000 kilo is een boekhoudkeuze. Een bedrijf dat een machine koopt, kan hem lineair afschrijven (elk jaar hetzelfde bedrag) of naar gebruik (per gemaakt product). De 1.000 kilo is lineair. Schrijf je de bouw van de Volvo af naar gebruik, dan is het 80 gram per kilometer en zit de auto in totaal op 295 gram, tegen 375 voor de E-Type. Op 1.500 kilometer per jaar is dat 440 kilo tegen 560. De auto's en de cijfers zijn hetzelfde, en toch draait de uitkomst om.
Welke methode klopt, hangt af van wat er met de auto gebeurt. Blijft de Volvo zestien jaar in een garage staan, rijdt hij 24.000 kilometer en gaat hij dan naar de sloop, dan is lineair eerlijk. Zo'n auto bestaat vrijwel niet. De meeste nieuwe auto's gaan na een paar jaar door naar een volgende eigenaar en rijden hun kilometers vol. Een eerste eigenaar die weinig reed, heeft dan ook maar weinig van de bouw opgemaakt.
Waar de som omslaat
Neem toch de lineaire methode, de gunstigste voor de oldtimer. Ook dan is er een grens. De E-Type stoot per kilometer 160 gram meer uit dan de Volvo in gebruik, dus zijn voorsprong van 1.000 kilo is op bij 6.250 kilometer per jaar. Tegen de elektrische XC40 op Europese stroom ligt die grens bij ongeveer 5.800 kilometer. Rijdt de E-Type als dagelijkse auto de gemiddelde 12.300 kilometer, dan staat het 4,6 ton tegen 3,6 voor de Volvo op benzine en 2,7 voor de elektrische.
En dat is met het verbruik van een nieuwe testauto uit 1961. Reken 16 liter voor een oude motor in het dagelijks verkeer (een aanname van ons) en de grens zakt naar ongeveer 4.200 kilometer. De gemiddelde oldtimer uit de FIVA-enquête zit daar ruim onder. Voor wie echt met zijn auto rijdt, is de grens wel een vraag.
Leeftijd doet in deze som niets. Motor testte in 1959 ook een Mini, een Austin de luxe saloon: 6,49 liter op 100 kilometer. Dat is 183 gram per kilometer, minder dan de 215 uit Volvo's eigen cijfers. Een auto uit 1959 stoot per kilometer minder CO2 uit dan een SUV uit 2021, omdat hij zoveel kleiner is. Massa en verbruik beslissen, en het bouwjaar op het kentekenbewijs doet dat niet.

De eerste Mini die als Morris van de band kwam, in 1959. De Austin uit de test was dezelfde auto met een andere grille.
Deze som gaat alleen over CO2. Een E-Type of Mini uit die tijd heeft geen katalysator, en voor koolmonoxide, stikstofoxiden en onverbrande benzine valt elke vergelijking met een moderne auto slecht uit. Ook de restauratie ontbreekt. Plaatwerk, lak en onderdelen zijn ook ergens gemaakt. Daar hebben we geen betrouwbaar getal voor.
Wat er echt verandert
Het probleem met de vergelijking uit het begin is dat niemand die keuze maakt. Bijna niemand verkoopt zijn E-Type om voortaan 1.500 kilometer per jaar in een nieuwe Volvo te rijden. De eigenaar heeft al een gewone auto. De vraag is dan wat die 1.500 kilometer erbij doen. Had hij ze anders in een auto op benzine gereden, dan gaat het om 160 gram per kilometer: 240 kilo per jaar. Tegenover een elektrische auto is het 435 kilo. En waren die ritten er zonder de E-Type helemaal niet geweest, wat op een zondag goed kan, dan de hele 560 kilo. De hobby kost dus ergens tussen 240 en 560 kilo per jaar. Daar mag iedereen iets van vinden, maar dit is het getal dat bij de keuze hoort.
De 1.000 kilo uit het begin bestaat wel ergens. Hij geldt voor een auto die echt zo wordt gebruikt: nieuw gekocht, voor de zondag, met weinig kilometers en lang in dezelfde handen. Dat beschrijft nauwelijks een Volvo XC40, wel de nieuwe sportauto die met afleverkilometers in een verwarmde garage staat. Die is speciaal gebouwd, en zijn productie wordt nooit over 200.000 kilometer uitgesmeerd. Het clubavondgetal klopt dus, alleen gaat het niet over de oldtimer tegen de gewone auto. Het gaat over de oude hobbyauto tegen de nieuwe.
Beeld: Jaguar E-Type 3.8 Roadster (Volante) jm21175 door © Jörgens.mi (CC BY-SA 3.0); Volvo XC40 T3 (2021) (52097236744) door Charles from Port Chester, New York (CC BY 2.0); Morris Mini-Minor 1959 (621 AOK) door DeFacto (CC BY-SA 2.5). Afbeeldingen zijn verkleind.
